Een echte, toepasselijke Jan Wolkers:
Ik heb de winter liefgehad.
I
Ik heb de winter liefgehad
Sneeuw droog als kippenvoer
Of nat als sop.
Mijn vader die met schele hoofdpijn
Als een antenne de dwarreling voorzag.
Als hartenkenner en als nierenproever.
De schijndood van de winterslaap
Doet kikkers in hun modderdoos verstijven.
Zonder geloof loop ik op water
Bij twintig graden vorst,
De waterwezens die mijn voetzolen bekijken
Hebben een fijne dag gehad.
In iedere aardplooi grijnst een glimlach
De tanden bloot of er gestorven was.
II
Ik heb de winter liefgehad.
Rijp wit als tandpasta,
Hagel als grind.
Mijn vader die met helse cokes
Van Nebukadnezars ovens ons verwarmde,
De paardenschroeilucht als een tong van eelt.
De moltondeken van verdoolde sneeuw
Bedekt de levende en dode have.
Griendhout van middeleeuwse speren,
Loop ik spitsroeden als op ijspegels,
Het rode spoor van mijn doorboorde voeten
Geeft raaf en kraai een snelle hap.
De dooi ratelt de weke sneeuw melaats,
In winterbeddengoed versmelt het uitzicht.
III
Ik heb de winter liefgehad.
De adem aan het raam,
De holte in de ijsbloem.
Een stem die zegt, ‘Hij werpt zijn ijs’,
Een driepunter, en dat op wintervoeten.
Het gele wonder van de distelvink
Verbleekt de vlammenwerper van de zon.
De vluchtige en vale vlokkenregen
Verstijft op het behang van bomen.
De hermelijn verschiet van kleur
Uit bloeddorst naar de strot van hazen.
De sneeuw verdooft geluid tot gonzen,
Het knerpen heeft geen afstand die beklijft.
De rijp geeft stijfselbomen helderheid.


